Geschiedenis

 

Geschiedenis van de Parochie

Geschiedenis van de kerk

Patroon

Orgel

Begraafplaats

 


 

 Geschiedenis van de Parochie

 

In 1024 kreeg bisschop Adelbold van Utrecht van zijn Duitse vriend Keizer Hendrik II Drenthe ten geschenke. Het bisdom Utrecht onderging dus een gebiedsuitbreiding en namens de bisschop bestuurden de Heren van Coevorden vanuit het kasteel te Coevorden het Landschap Drenthe. In die tijd bestond er al een kapel Hulsvoorde tussen Coevorden en Dalen, ongeveer op de plaats waar nu de r.-k. begraafplaats aan de Looweg ligt. Als de bisschop visitatie hield in Drenthe, werd hij in die kapel verwelkomd.

Parochiekerk van de H. Willibrordus te Coevorden.

In de twaalfde eeuw was er sprake van een parochiekerk. Deze lag aan de oostzijde van de stad, buiten de omwalling, maar binnen een vooruitgeschoven fort, nl. Fort Vallaat, een met palissaden omgeven wal. In 1231ging deze kerk in vlammen op, toen bisschop Willebrand van Oldenburg een wraakoefening hield tegen zijn opstandige vazal Rudolf van Coevorden. Op die plaats werd later een H. Geest-gasthuis met kapel gebouwd.

De nieuwe parochiekerk kwam binnen de stadspoorten (op de plaats waar nu de Hervormde kerk staat). De kerk, toegewijd aan O.L. Vrouw, was groot: buiten het hoofdaltaar waren er nog zes zijaltaren, alle met een priester.

In 1592 veroverde prins Maurits Coevorden op de Spanjaarden en de Friese stadhouder Willem Lodewijk verbood met onmiddellijke ingang het rooms-katholicisme; altaren en beelden verdwenen uit de kerk en de muren werden wit geschilderd. De pastoor vluchtte naar Duitsland. De kerk raakte in verval, vooral ook doordat Coevorden als vestingstad nogal eens te lijden had van oorlogsgeweld. De parochianen weigerden uit onvrede, omdat zij gedwongen werden de nieuwe leer aan te hangen, bij te dragen aan het noodzakelijke onderhoud. Toen de kerk niet meer te redden was, sprong de burgerlijke overheid bij en werd er een nieuwe kerk gebouwd, waar sinds 1641 de hervormden ter kerke gaan. In deze kerk werden stukken zandsteen uit de oude katholieke kerk gebruikt en ook de klokken die nu over Coevorden beieren, zijn uit die kerk.

Voor een aantal katholieken - meest boeren - die trouw wilden blijven aan het oude geloof, begon de schuilkerkenperiode. In een boerderij op Holthone (een buurtschap ten zuidwesten van Coevorden) kwamen als marskramers of anderszins verklede paters franciscanen uit het klooster van Megen de H. Mis opdragen en de sacramenten toedienen.

De omstandigheid dat de vestingstad Coevorden een garnizoen had, zorgde ervoor dat de katholieken weer over een eigen kerkje konden beschikken. De katholieke soldaten van het garnizoen mochten hun zondagsplicht vervullen in het kerkje in Laar, net over de grens met Duitsland. Tot ergernis van de garnizoenscommandant deserteerden regelmatig enkele soldaten. Hij drong er daarom bij het Provincie- en Landsbestuur op aan Coevorden een katholieke kerk toe te staan, dan kon hij zijn soldaten binnen de poorten houden. In 1786 kwam de toestemming, alleen moest de kerk op een gewoon huis (met vierkante ramen) lijken, mocht er geen geluid naar buiten doordringen en mochten de kerkgangers hun kerkboek niet zichtbaar dragen. Op de hoek van de huidige Wilhelminasingel en Sallandsestraat werd een woonhuis gekocht, waar vanaf 1787 de katholieken weer konden kerken.

Ook in die tijd was het moeilijk aan een priester te komen. Een paar boeren van Holthone, wier familie een paar eeuwen de vlam van het katholieke geloof brandend had gehouden, gingen per boerenkar naar Amsterdam, naar de kerk De Boom, om de overste van de franciscanen te vragen de zorg voor de katholieken van Coevorden op zich te nemen; de franciscanen hadden hen immers ook door de schuilkerkenperiode geholpen. Nadat hem die vraag gesteld was, staarde de overste voor zich uit en vroeg toen waar de pastoor van leven moest. Het antwoord van de woordvoerder van de delegatie was even simpel als doeltreffend: "Wij zullen voor turf, aardappelen en spek zorgen." "En God zorgt wel voor de rest," vulde een ander gauw aan. Daar kon de overste niets tegenin brengen. En zo werd van 1787 tot 1981 de parochie Coevorden door franciscaner paters bediend.

Het huidige wapen van de provincie Drenthe

Het eerste kerkje werd in de negentiende eeuw twee keer uitgebreid en doordat er een torentje op kwam(1818), leek het ook op een echte kerk. De klok die erin kwam, werd in 1943 door de Duitsers geroofd. Opvallend is, dat toen ook de H. Willibrordus, die tot1968 ook in het wapen van Coevorden stond afgebeeld, patroonheilige werd. In het begin van deze eeuw was het kerkje zo bouwvallig geworden, dat pastoor Pluymakers ofm ging sparen voor een nieuwe kerk. In 1914 werd de huidige kerk in gebruik genomen; deze werd evenals de oude kerk toegewijd aan de H. Willibrordus. De oude kerk werd parochiehuis, het Sint Antoniusgebouw. In 1934werd daar onder pastoor Bouters ofm een imposant nieuw Antoniusgebouw gebouwd, dat niet alleen een bruisend centrum van katholiek verenigingsleven werd maar ook van maatschappelijke activiteiten. In de jaren zeventig was de exploitatie ervan niet meer rond te krijgen en werd het verkocht. In 1988bouwde de woningbouwstichting De Eendracht er de Sallandflat, waarin de parochie twee appartementen - die nu het Parochiecentrum vormen - kreeg in ruil voor de pastorie aan de Sallandsestraat. Hiermee kwam na twee eeuwen een eind aan een historisch plekje katholiek Coevorden.

Nadat de parochie jarenlang twee of drie paters franciscanen als pastoor en kapelaan(s) had gehad, werden in 1977 pater J.L.J. Kropman ofm en pastoraal werkster zuster W.A. Schoon benoemd. In 1981 overleed pater Kropman plotseling en zat de parochie één jaar zonder pastoor. In 1982 werd G.G. Voskuilen (wereldheer) pastoor te Coevorden. Deze al snel zeer geliefde herder stierf in 1984, slechts vijfenvijftig jaar oud. Hij werd opgevolgd door pater G.J.A. Lukassen sma, die na zevenentwintig jaar werkzaam geweest te zijn in Ghana naar Nederland was teruggekeerd. Zuster Schoon vertrok in 1986; haar plaats werd een jaar later ingenomen door de heer B.P.R. Schoemaker (1987 - 1994). Op Willibrordzondag 1987 vierde de parochie op grootse wijze haar tweehonderdjarig bestaan. In 1994/'95 werd een nieuwe pastorie gebouwd aan de Sint Jansstraat. Per 1 september 1998 werd mevrouw L. Minnema als pastoraal werkster aangesteld voor de parochies van Coevorden en Steenwijksmoer en droegen pater Lukassen en zij samen de pastorale verantwoordelijkheid voor beide parochies; zij ging wonen op de pastorie in Steenwijksmoer. Beide pastores werden zeer gewaardeerd door de parochianen, die tot hun spijt eerst pastor Minnema zagen vertrekken naar Salland (per 1 maart 2008) en later pater Lukassen naar Cadier en Keer om daar van een rustige oude dag te gaan genieten (per 1 september 2009); beiden kregen een welverdiend afscheidsfeest aangeboden. 
In 2006 hadden de parochies nog op grootse wijze het vijftig jarig priesterschap van pater Lukassen gevierd, waarbij als gasten uit Ghana mgr. Gabriël Mante, bisschop van Jasikan (de vroegere statie van pater Lukassen) en mgr. Vincent Antie (“priesterzoon” van pater Lukassen) aanwezig waren. 
Enkele maanden voor het vertrek van pater Lukassen stelde met instemming van het bisdom pastor Dominicus Ketelaar, emeritus-pastoor van Emmeloord, zich beschikbaar voor onze parochies. Met een geweldige inzet verving hij pastor Lukassen en bleef hij zijn contacten in Emmeloord trouw. Helaas werd hij een week voor zijn vertrek getroffen door een herseninfarct, waardoor het afscheid, rekening houdend met zijn gezondheidstoestand zeer bescheiden gehouden, moest worden uitgesteld tot 29 en 30 oktober 2011. Per 1 september 2010 werd een samenwerkingsverband aangegaan met de parochies H. Bonifatius te Nieuw-Schoonebeek, H. Nicolaas te Schoonebeek, St. Franciscus van Assisië te Steenwijksmoer en Maria Koningin van Vrede te Weiteveen. Pastores zijn P.J.J Stiekema (waarnemend pastoor), pastor drs. T.T. Tjepkema, pr., drs. J.B.Z. Lange, pastoraal werkster. Pastor Tjitze Tjepkema, aangesteld per 1 september 2010, werd op 21 mei 2011 door mgr. G. de Korte tot priester gewijd. De vijf parochies vierden daags erna een groot interparochieel feest met de neomist en vele gasten: familie en vrienden van pastor Tjepkema onder wie een delegatie uit Fiesole (Italië), waar de pastor zijn laatste studiejaren had doorgebracht.


 Geschiedenis van de H. Willibrorduskerk

In 1907 werd pater Albertus Pluymaekers ofm pastoor te Coevorden en hij zag al gauw, dat er een nieuw kerkgebouw moest komen: het oude kerkje raakte danig in verval en het aantal parochianen was tot 1285 gestegen.

Zijn boekje Historische schets van de Roomsch-katholieken te Coevorden (1909)was het startsein om (in heel Nederland) geld in te zamelen voor de arme parochie. In 1912 kreeg architect W. te Riele uit Deventer opdracht een kerk te ontwerpen. Aartsbisschop H. van de Wetering ging niet akkoord met een groot priesterkoor, wat uiteindelijk f 9.000,00 scheelde. Op 18 april 1913 werd het werk gegund aan aannemer A. de Boer uit Coevorden, de laagste inschrijver met f 41.453,19; opzichter werd de heer G. Blancke uit Amsterdam.

Parochiekerk van de H Willibrordus.

In tegenstelling tot de oude kerk - was in 1787 een bestaande woning - werd de nieuwe neogotische kerk georiënteerd, d.w.z. met altaar aan de oostkant, waar de zon - symbool van het licht en de warmte (liefde) van Christus - opkomt. Op 15 mei 1913 ging de eerste spa in de grond en op zondag 29 juli 1913 legde pastoor Pluymaekers de eerste steen. Op 23 april 1914 kwam monseigneur Van de Wetering de kerk consacreren. Op zaterdag 16 mei (Avondlof) en zondag 17 mei 1914 (H. Mis) werd de kerk in gebruik genomen. De klok (1825), de preekstoel (1866) en het Winkels-orgel (1895) werden overgebracht naar de nieuwe kerk. De rekening en verantwoording werden op 5 februari 1915 door de aartsbisschop goedgekeurd. De totale kosten hadden f 50.981,86 bedragen, de inkomsten - inclusief een lening à f 20.000,00 - f 51.086,35; batig saldo f 104,49 ...

Het doopvont.

In de volgende jaren werd de kerk stelselmatig verfraaid. Naast de aanschaf (meestal schenkingen) van een nieuwe doopvont, communiebank, preekstoel en missiekruis gaven vooral de gebrandschilderde ramen kleur aan de kerk. Die ramen zijn dan ook van uitstekende kwaliteit: ze kwamen uit het atelier van Frans Nicolas & Zn (de wereldberoemde Joep) te Roermond. Onder het pastoraat van pater Paduanus Bouters ofm werd op zondag 30 december 1935 de nieuwe kruisweg ingewijd. Hij werd geleverd door B. Martina te Enschede voor f 3.500,00 en was gemaakt in Italië van Venetiaans glasmozaïek naar schilderstukken van Winand Gerardts. In 1939 ontstonden er moeilijkheden over de kruisweg: schilder Geraerdts vond, dat de auteursrechten waren geschonden en hij eiste via een advocaat verwijdering van de kruisweg. De zaak werd uiteindelijk in der minne geschikt, doordat de heer Martina de schilder toezegde, dat deze de ontwerpen voor toekomstige opdrachten mocht maken. Op 4 juni 1948 kregen drie nieuwe klokken - de oude uit 1825 was op 3 februari 1943 door de Duitsers geroofd - hun plaats in de toren.

De ramen bij het Maria altaar

Tijden en mensen veranderen. Tijdens de vernieuwingsgolf in de katholieke kerk van de jaren zestig verdween in één veeg wat jaren met veel zorg en moeite (en geld!) tot stand was gebracht. In 1962, onder pastoor Eugenius Trienekens ofm, werd de kerk drastisch veranderd; de reden lag in de gewijzigde liturgie. Voorheen was het de gewoonte dat de priester tijdens de H. Mis met de rug naar de mensen stond. Voortaan stond hij met het gezicht naar de mensen. Dat betekende dat het hoogaltaar niet meer gebruikt kon worden en maar werd afgebroken! Er kwam een nieuw grijsmarmeren altaar, dat veel meer naar voren op het priesterkoor geplaats werd. Ook de communiebank, de preekstoel, het mooie gotische missiekruis boven het priesterkoor, het gepolychromeerde Maria- en H. Hartbeeld verdwenen uit de kerk. En of het nog niet genoeg was, werden het middelste gebrandschilderde raam eruit getikt en het linker- en rechterraam ingekort. Op de plaats van het hoogaltaar kwam een modern sacramentsaltaar. En dit alles kostte f 60.000,00 en gebeurde met goedkeuring van het Bisdom ... ! Gelukkig wist koster Hans Keuenhof onderdelen van het altaar, de communiebank, de preekstoel en stukken van de glas in loodramen te redden door ze op de kerkzolder op te bergen. Het orgel werd in 1963 achter op het koor geplaatst - stond eerst op de zijzolder - en kreeg het een elektrische in plaats van een mechanische bediening, waardoor de speeltafel los van het pijpwerk geplaatst kon worden; kosten f 25.000,00.

Glas in lood raam

Een kleine twintig jaar later, in 1980, kregen het ex- en interieur een grote opknapbeurt. Het priesterkoor werd vergroot, dieper de kerk in; het werd afgerond in de vorm van een cirkelsegment, aflopend met vier treden tot de kerkvloer. De zijkapellen kregen treden in dezelfde beige betonsteen en de borstwering tussen hoofdkoor en zijkapellen werd verfraaid met panelen uit de oude communiebank. Er kwam een nieuwe preekstoel, waarin de Christusfiguur en de vier apostelen van de in 1962 verdwenen preekstoel werden geplaatst. Enkele retabelen van het oude hoogaltaar kregen een plaats tegen de achtergevel en naast het tabernakel. Het sacramentsaltaar werd overgebracht naar de Mariakapel achter in de kerk, het tabernakel werd op een zuil in de Jozefkapel geplaatst. Op het vergrote priesterkoor werd de altaartafel verder naar voren geplaatst, excentrisch, op een draaiplateau, wat gedaan werd om het altaar te kunnen draaien naar de dagkapel, die er nu gekomen was op de plaats van het vroegere hoogaltaar. In de praktijk werd de dagkapel echter de nieuwe plaats voor de koren. Er kwam vaste vloerbedekking, de muren kregen een nieuwe kleur en de kerkbanken, nu zonder knielbank, kregen een andere indeling, die overigens een aantal jaren later gedeeltelijk ongedaan werd gemaakt.

Het interieur

In 1984 werd een Restauratiecommissie opgericht. Eerst werd het orgel - dat door de werkzaamheden van 1980 nogal geleden had - opgeknapt door de orgelbouwers Kaat & Tijhuis uit Kampen. Vlak voor de viering van het tweehonderdjarig bestaan van de parochie in 1987 konden de door atelier De Bron uit Beuningen gerestaureerde glasinloodramen herplaatst worden.

In 1992 werd de kerk op de lijst van Jonge Monumenten geplaatst. Sindsdien verkreeg de parochie al een aantal keren subsidie van Monumentenzorg voor groot onderhoud en restauraties. In 2001 werden de buitenmuren, daken en toren gerestaureerd. Tevens werd het interieur van de kerk opnieuw geschilderd. De Mariakapel werd ingericht als gedachteniskapel.

 

 

 

 


 Patroon

 

Patroon van onze kerk de H. Willibrordus.Willibrord werd geboren in Northumbria in Engeland in het jaar 658. Hij kreeg de geloofsopvoeding van de monniken uit het klooster Ripon. Abt was hier de heilige Wilfried die leefde naar de regels van Benedictus. In 678 vertrok Willibrord naar Ierland in het klooster van Rathmelsigi. Hier werd hij tot priester gewijd. Samen met een grote schare metgezellen verliet hij in 690 zijn geboorteland en trok de Noordzee over om het geloof in de Friese landen te verkondigen. Aan paus Sergius I vroeg Willibrord de volmacht om in deze streken het geloof te verkondigen evenzo aan de Frankische Hofmeier Pepijn II van Herstal. Paus Sergius wijdde hen tevens tot aartsbisschop van de Friezen. Zijn bisschopszetel vestigde hij in Utrecht. Patroon van onze kerk de H. Willibrordus.
Dankzij de steun van de Frankische adel kon Willibrord de verkondiging in Friesland gestalte geven. Hij kreeg van Irmana van Ohren, de vrouw van een paltsgraaf de abdij van Echternach in Luxemburg. Bekend is ook de abdij van Susteren in Nederlands Limburg. Beide kloosters werden het middelpunt voor de verkondiging van het evangelie onder de Friezen. Na de dood van Pepijn II in 714 was het niet mogelijk zijn verkondiging in de noordelijke streken voort te zetten In 719 begon de heilige Willibrord met grote ijver aan deze taak samen met de heilige Bonifatius. 
Op 7 november 739 stierf Willibrord in de abdij van Echternach. Hier ligt hij ook begraven. Paus Pius XII heeft in 1939 Willibrord uitgeroepen tot patroon van de Nederlandse Kerkprovincie. 


Patroon van: Nederland, Luxemburg, bisdommen Utrecht en Haarlem en Luxemburg. 
Tegen: epilepsie, huidziekten, stuipen. 

 

 


 Het Winkels-orgel

 

Geschiedenis van het Winkels-orgel in de r.-k.Willibrorduskerk te Coevorden

Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: http://www.orgelsindrenthe.nl/nederlands/coevorden-rk-slideshow-horizont/DSC12.JPG

 

Reeds lang voor het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie kreeg de katholieke gemeenschap van Coevorden van de burgerlijke overheid toestemming een woning in te richten als kerk

Uit de “Actum op den Landsdag, gehouden te Assen, den 14den Maart 1786. Zitting van den 21n dier maand.” tekenen we op:

“Op de requeste van den Goeverneur der stat Coevorden, F. de Jensen, als meede op het versoekvan enige Burgers en inwoonders der stad Coevorden, den Roomschen Godsdienst toegedaan, envoorschryvinge van Hun Edele Mogende Heeren raden van Staten der Verënigde Nederlanden, - Hebben de heeren Ridderschap  en Eigenërfdens an de Roomschgezinden gepermitteerd en toegestaan, om op hare eigene kosten binnen de stad Coevorden in het een of andere particulierekerkhuis haren godsdienst in alle vereischte stilte te mogen oefenen, zonder nogtans an andere gezindheden eenige reden of aanleiding tot ergenissen te geven ( … “ ).

Ondanks die restrictie gaf het orgel (bouwer H. Scheuer ?) dat zeker al in 1823 in het gedoogkerkje op de hoek van de huidige Sallandsestraat en de Wilhelminasingel stond, kennelijk geen reden of aanleiding tot ergernis. In 1848 werd het vervangen door een orgel van H.D. Lindsen uit Utrecht.

Volgens zekere bronnen zou orgelbouwer Wilhelm Rütter uit Kevelaer in 1880 een nieuw mechanisch orgel geleverd hebben voor de “oude kerk” en orgelbouwer Johann Winkels uit Boxmeer zou de overplaatsing naar de “nieuwe kerk” verzorgd hebben. Andere bronnen berichten, dat omstreeks 1890 niet nader genoemde klachten ontstonden en men besloot het orgel te laten onderzoeken door Johann Winkels. In oktober van het jaar 1894 nam het kerkbestuur het besluit een geheel nieuw orgel te laten bouwen. De opdracht ging in februari 1895 naar Winkels. De kas, gebouwd door J. Rasker te Boxmeer, werd geleverd in november 1895; het orgel volgde in maart 1896. Bij de bouw van het nieuwe orgel zou Winkels pijpen uit het oude Lindsen-orgel gebruikt hebben. Hoogstwaarschijnlijk is het Coevorder orgel dus een zgn. 'economieorgel', een orgel samengesteld uit het al aanwezige materiaal van Lindsen (en misschien ook van Rütter ?) en uit materiaal in voorraad bij de orgelbouwer zelf.

Wie was Johann Winkels?

Op pijp 27 van het orgel van de St.-Mauritiuskerk te Düffelward (Duitsland) staat met potlood opgetekend: “Orgelbauer W. Rütter hat diese Orgel angefertigt im Jahre 1856 mit seinemGesellen Johann Winkes.” Met deze “Winkes” wordt, zo heeft A. Wolfgang Arbogast in deGeldrischen Heimatkalender 1997 duidelijk aangetoond, Johann Winkels bedoeld. Over zijn leven is slechts weinig bekend.

De timmerman van Wissen (Duitsland, tussen Weeze en Kevelaer) kwam al sedert zeker de 17deeeuw uit de familie Winkels. Als lid van minstens de vierde generatie werd op 1 juli 1830 Johann Baptist Winkels geboren als zoon van Christian Winkels en Johanna Terhoeven. Net als zijn broers leerde ook Johann het timmermansvak bij zijn vader in de werkplaats. Het ligt voor de hand, dat Johann tijdens timmerwerkzaamheden in kerkinterieurs kennis gemaakt heeft met een andere ambachtsman en wel Wilhelm Rütter (1812-1887), die toentertijd in het nabijgelegenKevelaer als orgelmaker werkzaam was en van wie bekend is, dat hij zijn orgelbehuizingen zelf vervaardigde. Ook in 1871 is er in ieder geval contact tussen Winkels en Rütter geweest, toen de laatste een nieuw orgel leverde voor de kerk van de H. Martinus te Gennep; het oude instrument bracht Winkels over naar de kerk van de H. Dyonisius te Heijen. Johann Winkels is behalve in de invloedssfeer van Rütter ook in die van Johann Daniël Nolting (1757-1848) uit Emmerik gekomen; in verscheidene plaatsen waar deze in Nederland werkzaam geweest was, was Winkels namelijk zijn opvolger.

Vanaf ongeveer 1860 woonde Winkels in Venray. In 1886/’87 vestigde hij zich in Boxmeer, waar hij in 1907 stierf.

In mei 1914 werd in Coevorden de nieuwe kerk (architect Wolter te Riele) in gebruik genomen en de maand daarop verzocht men Johanns zoon Harrie (Henricus Christianus Petrus) Winkels (1870-1939) het orgel over te plaatsen. Op 29 november van dat jaar was de overplaatsing een feit.

Nadat de kerk in 1923 op het elektriciteitsnet was aangesloten, leverde de firma Winkels in december 1924 voor ¦ 304,00 een Elektro-Ventilator uit Bazel, dezelfde die nog steeds dienst doet.

 

In 1962-1963 werd het orgel gerestaureerd door Gebroeders Vermeulen Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: Logo Vermeulen Orgelbouwuit Weert. Deze restauratie werd begeleid door de heer dr. P.J.A.M. de Bruijn, lid van de Katholieke Orgelraad. Vanwege de ongelukkige positie van de dirigent-organist (die steeds met de rug naar de zangers zat) werd het orgel van een zijgewelf van de koorzolder verplaatst naar de achterwand van het koor en omgebouwd van het mechanische naar het elektro-pneumatische systeem. Het bestaande pijpwerk werd nog uitgebreid met pijpen van een Vollebregt-orgel uit Gorinchem en werd het orgel voorzien van een nieuw front en een nieuwe orgelkas, 2.25 m boven de vloer van de zangzolder, en werd er een nieuwe speeltafel geplaatst. De manuaalomvang werd met twee tonen uitgebreid tot g3.

 

 

Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: Descxxxription: IMG_4220

 

Na deze restauratie had het orgel de volgende dispositie (op het Pedaal zijn de Subbas en de Gedektbasgecombineerd, evenals de Prestant en de Octaaf die corresponderen met de Manuaal-Prestant; het Winkels-pijpwerk is met een * aangegeven):

 

 

 

oude pijpen

nieuwe pijpen

 

 

manuaal I

C-g’’’

 

houten

25% tin

40% tin

totaal

1

*Prestant

8'

56

12

44

 

56

2

Roerfluit

8'

56

12

44

 

56

3

Octaaf

4'

56

 

 

 

56

4

Octaaf

2'

56

 

 

 

56

5

*Fluit

4'

42

 

 

14

56

6

*Mixtuur

3 st.

156

 

 

 

156

7

*Trompet

8'

56

 

 

 

56

 

manuaal II

C-g’’’

pijpen

 

 

 

 

8

*Salicionaal

8'

56 van gamba

 

 

 

56

9

*Bourdon

8'

56

 

 

 

56

10

*Prestant

4'

56

 

 

 

56

11

*Violine

4'

56

 

 

 

56

12

*Fluit

2'

56

 

 

 

56

13

Kwint 1 1/3'

 

44 uitSalicionaal                      vanuit klein c

 

 

 

 44

14

Sesquialter

2 st.

112

 

 

 

112

 

pedaal

C-f1

 

 

 

 

 

15

*Subbas+

16'

30 van bourbon

 

 

 

30

16

*Prestant x

8'

uit nr. 1

 

 

 

12

17

*Gedektbas+

8'

12 uit nr. 14

 

 

 

 

18

*Octaaf x

4'

uit nr. 1

 

 

 

 

totaal aantal pijpen

970

 

De chromatische manuaallade bevat het volgende pijpwerk:

1   

Trompet   

8vt

2

Mixtuur

 

3

Fluit

4 vt

4

Octaaf

2 vt

5

Octaaf

4 vt

6

Roerfluit

6 vt

Op de C-pijpen staat het register Mixtuur aangeduid als Mixstûr, identiek als bij Vollebregt wordt aangetroffen. Op de grootste pijp staat 2 fuß  (later aangebracht) 25.

De Octaaf 4' van het Hoofdwerk is eveneens een oud register. Niet al het overige pijpwerk werd door Vermeulen nieuw geleverd: op de C-pijp van de Kwint staat Gambe.

Na de restauratie van de kerk in 1980 werd in 1986 groot orgelonderhoud gepleegd door Kaat & Tijhuis te Kampen; aan dispositie of intonatie werd toen niets veranderd. Het onderhoud is sindsdien in handen van Kaat en Tijhuis. In 2009 en 2010 werden reparaties uitgevoerd aan respectievelijk de balg en de windmachine.

De klank van het negentiende-eeuwse pijpwerk kan fraai genoemd worden, hoewel de nieuwe registers niet optimaal mengen met de oude, wat geweten kan worden aan de afwijkende mensurering en stijl van intonatie, die in de geest van de neobarok is uitgevoerd, aldus het oordeel van de Stichting Johann Winkels - Kerkorgelfabriek – Boxmeer.

Jan Tinga, secretaris Parochiebestuur H. Willibrordus Coevorden – 7 november 2011

Geraadpleegd:

-          Archief Willibrordusparochie Coevorden;

-          De kerk van Willibrord tot Willibrordkerk, J.G.M. Stroeve en R.M. Veldhuizen

-          Coevorden.doc van de Stichting Johann Winkels - Kerkorgelfabriek – Boxmeer

-          Johann Winkels (1830 - 1907) Ein Orgelbauer aus Wissen bei Weeze, A. Wolfgang Arbogastin de Geldrischen Heimatkalender 1997

-          www.brabantorgel.nl (orgel Matthiaskerk in Oploo)

-          www.orgelsindrenthe.nl Orgelgeschiedenis van de St. Willibrorduskerk Coevorden volgensdegegevens van Victor Timmer

-          Orgelgeschiedenis van de St. Willibrorduskerk Coevorden volgens de gegevens van W.D. van der Kleij


 Geschiedenis van de R.-K. Begraafplaats De Loo

R.-K. BEGRAAFPLAATS DE LOO 


In het begin van de vijftiende eeuw was er bij een kerkhof nabij de grens van het Landschap Drenthe en de Heerlijkheid Coevorden de kapel te Hulsvoord. In akten die betrekking hebben op de afstand van rechten op Coevorden en Drenthe door Reynold IV in 1402 is sprake van een "ante cimeterium capelle" (een kapel vóór het kerkhof). Vanaf die tijd vond de inhuldiging van de bisschop daar plaats. Ook zouden er bedevaarten zijn gemaakt naar de kapel die ± 1460 haar bloeitijd kende. In de Gelderse Oorlogen (1492 - 1543) is zij verwoest; er zijn geen sporen meer van te vinden. Onze parochiebegraafplaats ligt waarschijnlijk een paar honderd meter westelijker. 

De huidige toegangspoort met spreukIn de twaalfde en dertiende eeuw begroef Coevorden zijn doden op de hof rond de Oude Kerk, die gelegen was op de plek van het huidige Fort Verlaat. De Oude Kerk werd in 1231 door brand verwoest en werd niet meer opgebouwd. De Nieuwe Kerk - staand op de plaats van de tegenwoordige Hervormde Kerk - werd parochiekerk en daarbij werden in de volgende eeuwen de doden begraven; vooraanstaande mensen werden, zoals in vele andere plaatsen, soms in de kerk begraven. In 1829 werd het - bij Koninklijk Besluit - verboden doden in een kerk te begraven; begraafplaatsen moesten buiten de bebouwde kom worden aangelegd. 
Pater Weenink ofm (pastoor van 1819 tot 1846) kocht in 1830 voor f 250,00 een stuk grond aan de Looweg om daar een katholieke begraafplaats aan te leggen. In 1849, tijdens het pastoraat van pater Horn ofm, werd er een kapel gebouwd ter ere van Sint Jozef, de patroon van een zalige dood; kosten voor de parochie f 200,00. Het sober gebouwtje maakte in 1870 plaats voor een nieuwe kapel achter op de begraafplaats; de bouw werd betaald uit diverse liefdesgiften. Er kwam een kruisbeeld met daaronder de beelden van Maria en Johannes, respectievelijk geschenken van de meisjes en de jongens uit de parochie. In 1962 kregen het kruis en de beelden een plaats in de parochiekerk. Het prachtige gepolychromeerde Missiekruis (van 1916) dat boven de communiebank in de kerk hing, werd van de ornamenten ontdaan, ingekort en met een zwart-wit (!) geschilderd corpus in de kapel gehangen. 
Het was pastoor Pouw ofm (1866 tot 1874) die zorgde voor de bouw van de kapel en de aankleding ervan. Hij had al aan het begin van zijn pastoraat het initiatief genomen een muur om de begraafplaats te bouwen, omdat die werd ontwijd door het gewroet van dieren uit het open veld; financiële problemen zorgden ervoor, dat de muur pas in 1874, kort voor het vertrek van de pastoor, gerealiseerd werd. De spreuk aan de linker- en rechterkant van de toegangspoort van de begraafplaats 

"Wat gij nu zijt was ik voor dezen, 
wat ik nu ben zult gij dra wezen."

is een eeuwenoude variatie op "Wees bereid, want ge kent dag noch uur." De Pieterpadlopers wordt in hun routeboekje anno 2002 gewezen op de poort en de daar vermelde spreuk. De muur is door de eeuwen heen een zorgenkind geweest: in 1877 waaide een kwart van de muur om en in 1922 ging een groot deel van de westelijke muur omver. De muur moest over de hele lengte worden vernieuwd en men maakte van de nood een deugd en vergrootte meteen de begraafplaats. 
Op 7 maart 1934 werd op initiatief van pater Bouters ofm (1932 - 1946) een Kerkhofcomité opgericht dat tot doel had "het kerkhof, dat tot ergernis zelfs van andersdenkenden in hoogst verwaarloosde toestand verkeert, tot een waardiger verblijfplaats te maken voor onze doden." De kapel werd gerestaureerd en het derdeklasgedeelte werd eerste klas, het middendeel tweede klas en het deel het dichtst bij de ingang derde klas. De "voornaamste" (en duurste!) plaatsen waren nu het dichtst bij de kapel en het kruis, waar voorheen de derde klas, de ongedoopte kinderen en de publieke zondaars lagen ... Een hele verbetering was het plaatsen van twee grote banken: na een half uur lopen van de stad kon men dan even uitrusten. Doordat de begraafplaats zover van de stad aflag, was een begrafenis een lange gang: men trok er lopend achter de lijkkoets naartoe. De geestelijke verkleedde zich voor de begrafenis bij boer Ambergen tegenover de begraafplaats. 
Op de derde zondag van november 1937 hield pastoor Bouters een gebedsdienst op de begraafplaats. Hij maakte daar een jaarlijkse gewoonte van in november, Allerzielenmaand. De liturgie bestond uit predikatie, gebed, het zingen van de psalm De profundis clamavi ad Te, Domine (Uit de diepten roep ik tot U, Heer) en het besprenkelen van de graven met wijwater. 
Het onderhoud van begraafplaats en kapel bleef een probleem. Op 1 november 1964 werden in het parochieblad parochianen opgewekt om de begraafplaats op te knappen: "Schop en houweel meenemen." De oproep had succes: op 8 november werden alle werkers bedankt. 

In 1972 ging er in de vroege morgen van maandag 13 november, Ganzenmarkt, door een hevige najaarsstorm weer een deel van de muur tegen de vlakte. Ook uit de bocht vliegende auto's gingen wel eens door de muur heen, maar steeds waren er weer vrijwilligers die de muur herstelden. Ook het onderhoud gebeurde - en gebeurt nog steeds - veelal door parochianen; de gebroeders Ambergen hebben daarin een vooraanstaande rol gespeeld. 

De begraafplaats 'vol'In de eerste helft van de jaren zeventig van de twintigste eeuw raakte de begraafplaats "vol". Op voorstel van een door het Kerkbestuur ingestelde Kerkhofcommissie werd besloten de begraafplaats per 1 januari 1975 te sluiten. Parochianen die nog verkregen rechten hadden, konden er nog begraven worden. Op de Algemene Begraafplaats kwam een katholiek gedeelte, waar onder anderen pater Kropman ofm (kapelaan van 1946 tot 1956 en pastoor van 1977 tot 1981) zijn laatste rustplaats heeft, maar dat raakte snel vol en daarna werden ook de katholieken, onder wie pastoor Voskuilen (1982 -1984) op het algemene gedeelte begraven of bijgezet in de urnenmuur daar. Het onderhoud - beter gezegd het gebrek aan onderhoud - door bestuur en nabestaanden zorgde ervoor dat begraafplaats er aan het eind van de twintigste eeuw bepaald niet fraai bijlag. 

In 2000 werd de heer A.H.T. Blaauwgeers, lid van de Parochievergadering, benaderd door een ernstig zieke parochiaan die de wens uitte begraven te mogen worden op de katholieke begraafplaats. De heer Blaauwgeers legde deze wens voor aan Parochiebestuur en -vergadering en besloten werd een inventarisatie te maken van de begraafplaats. (Door de jaren heen was er een abominabel slechte administratie gevoerd en van verkregen rechten volgens het reglement van 1959 was geen spoor terug te vinden.) De heren Blaauwgeers en F.G.T. Langeland legden in juni 2001 hun uitkomsten en voorstellen voor aan Parochiebestuur en -vergadering. Daaruit bleek dat er 606 graven, 16 gereserveerde en nog 81 (!) vrije plaatsen waren: het besluit tot sluiting in 1974 bleek wel wat voorbarig genomen te zijn, te meer als men ervan uitgaat dat na het verjaren van grafrechten ruiming mogelijk was (geweest). Op 13 juni 2001 werd het besluit genomen de begraafplaats op te knappen en per 1 januari 2003 weer open te stellen voor het begraven van parochianen. 

UrnenmuurVanaf januari 2002 werd er door de Begraafplaatscommissie veel vergaderd (er werd o.a. een nieuw reglement opgesteld, dat door Parochievergadering en -bestuur werd vastgesteld op resp. 3 en 9 april 2002 en bisschoppelijke goedkeuring verkreeg op 18 april 2002) en gewerkt, bij het laatste bijgestaan door verscheidene vrijwilligers. Wildgroei werd verwijderd, kapel en toegangspoort werden onder handen genomen, het missiekruis werd zo goed mogelijk in oude vorm hersteld en het corpus werd opnieuw gepolychromeerd door de heer Huub Linssen (die ook de adviezen gaf voor het schilderen van de kapel en in 2003 een monument voor de doodgeboren/ongedoopte kinderen ontwierp), er werd een mededelingenbord geplaatst en een urnenmuur gebouwd. De heer Blaauwgeers belde stad en land af om nabestaanden te achterhalen aan wie in augustus het nieuwe reglement werd toegestuurd en de vraag werd voorgelegd, of ze per 1 januari 2005 verlenging van grafrechten wensten. De heer W.J.M. Huisman, lid van de Parochievergadering, ontwierp een computerprogramma voor de administratie van de begraafplaats. 

Op Allerzielen 2002 werd de totaal opgeknapte begraafplaats opnieuw in gebruik genomen met een vesperdienst, waarin pastoor Gerard Lukassen sma en pastor Lysbeth Minnema voorgingen en waaraan de mannen van het kerkkoor Cantemus Domino medewerking verleenden. Een jaar later werd tijdens een soortgelijke plechtigheid het monument voor de doodgeboren/ongedoopte kinderen onthuld en ingezegend. Elk jaar vindt nu met Allerzielen een vesperdienst op de begraafplaats plaats. 
De begraafplaatscommissie ad hoc bleef zich inzetten voor goed onderhoud en verdere verfraaiing van de begraafplaats; na opheffing van deze commissie op 24 november 2009 in de vergadering van het Parochiebestuur berust deze taak weer rechtstreeks bij het Parochiebestuur. 
Als bestuur, parochianen en nabestaanden voor een goed onderhoud blijven zorgen, kunnen onze overledenen er blijvend waardig rusten. 


 

 

Copyright © 2017 Immanuel Parochie  -  Powered by CouchCMS